U en jij: van macht naar solidariteit

30 maart 2017, geschreven door Fimke Duursma
Trends

We tutoyeren wat af met z’n allen. Onbekenden spreken we spontaan aan met je en jij. Ook veel bedrijven gaan voor een informele tone of voice en daar past u meestal niet bij. We zitten, voor de zoveelste keer in de geschiedenis van onze aanspreekvormen, middenin een verschuiving. Hoe solidair voel ik me met jou: dat is steeds duidelijker de hamvraag.

De juiste keuze maken is niet altijd even makkelijk. In elke situatie moet je aanvoelen of je ‘gewoon’ kunt tutoyeren of dat u gepaster of gewenster is. Wat doe je als jongvolwassene als je je nieuwe schoonouders voor het eerst ontmoet? Hoe spreek je een collega van 60 aan als je zelf begin 20 bent? De regels zijn ook nog eens niet in steen gebeiteld: volgens neerlandica Hanny Vermaas zitten de Nederlandse aanspreekvormen (opnieuw) middenin een verschuiving. Daarover later meer.

Twee vliegen in één klap

Heel vroeger was het leven simpel. De Romeinen hoefden niet te kiezen, zij gebruikten voor iedereen de aanspreekvorm tu (T). Voor twee of meer personen was er de meervoudsvorm vos (V). Tot de 4e eeuw. In die tijd hadden twee keizers samen de macht over het gigantische Romeinse Rijk, maar administratief gezien vormden ze één geheel. Voor het gemak werden ze allebei aangesproken met vos. Daarmee sloeg je als het ware twee vliegen in één klap. Vos werd een soort impliciete meervoudsvorm.

Macht

In de vroege Middeleeuwen ging de evolutie verder. Vos was niet meer voorbehouden aan de keizer(s), maar werd ook gebruikt voor andere machtsfiguren. Sprak je iemand aan die boven jou stond, dan gebruikte je vos. De vazal sprak zijn heer dus eerbiedig aan met V. De ‘gewone’ vorm was nog altijd T, dus op zijn beurt tutoyeerde de heer zijn onderdaan terug. Later ontstonden er ook horizontale relaties. De hogere klasse ging onderling V gebruiken, terwijl T de aanspreekvorm werd van de onderklasse.

Nederlandse aanspreekregels tot de jaren ’80, uit Brown & Gilman (1960).

Met twee maten meten

Tot zover alles helder en duidelijk: V hoorde bij de welgestelden, T bij het gewone volk. De machtsverhoudingen waren in de Middeleeuwse samenleving scherp afgebakend, dus onzekerheid over de juiste aanspreekvorm was niet nodig. De moderne moeilijkheden met u en jij hebben hun oorsprong in de 14e eeuw, toen vertrouwelijkheid óók een bepalende factor werd. De keuze werd voortaan dus langs twee meetlatten gelegd: die van macht én van vertrouwelijkheid. Voortaan stelde je jezelf twee vragen:

  1. Wat is onze machtsverhouding? Heeft deze persoon meer status dan ik (V), minder status (T) of evenveel (V of T)?
  2. Hoe sterk is onze basis van vertrouwelijkheid? Vallen we in elkaars binnengroep (T) of buitengroep (V)?

Ben je lid van dezelfde tennisclub, dan zit je in elkaars ‘binnengroep’ en kun je elkaar gerust tutoyeren. Valt iemand in je ‘buitengroep’, bijvoorbeeld door een groot verschil in status of leeftijd, dan is aanspreken met V gepaster. Na verloop van tijd kun je meestal wel overstappen op T, omdat je elkaar inmiddels beter kent. Maar veel omgang met elkaar is géén garantie op mogen tutoyeren. Pas als je genoeg gedeelde hobby’s, opvattingen en voorkeuren hebt ontdekt, kun je veilig gaan jij-en en jou-en.

Dilemma’s

Toch bleef het juiste moment aanvoelen een precaire aangelegenheid. Misschien vind jij het feit dat jullie allebei uit Eindhoven komen genoeg overeenkomst, maar voelt je gesprekspartner dat heel anders. Jullie beeld van de sociale relatie kan van elkaar verschillen. Nog ingewikkelder wordt het als de twee bepalende dimensies, macht en vertrouwelijkheid, elkaar tegenspreken. Welke aanspreekvorm kies je als je minder status hebt (V), maar je ook verbonden voelt met de ander (T)? Of omgekeerd: wat kies je als je weinig vertrouwelijkheid voelt met de ander (V) en hoger in rang bent (T), zoals wanneer je de ober aanspreekt in een restaurant?

Heftige emoties

Kies ik voor ghi (V) of du (T), dat was de vraag in de Middeleeuwen en een tijd daarna. De gevoelswaarde was wel anders dan nu. Ghi kon eigenlijk altijd wel, du werd alleen gebruikt als er heftige emoties in het spel waren. Dus bij aanhankelijkheid, maar ook bij woede of minachting. Het was een veel directere aanspreekvorm dan je en jij nu zijn. Vanwege de associatie met negatieve emoties raakte du waarschijnlijk in onbruik. Iemand met du aanspreken werd steeds meer als onbeleefd ervaren.

Vroeger was iedereen een u

Het gevolg was dat du helemaal in de prullenbak verdween en iedereen elkaar ging vousvoyeren. Iedereen was een ghi. Dilemma opgelost! Totdat er in de 18e eeuw toch weer behoefte ontstond aan een beleefdheidsvorm. Dat werd Uwe Edelheid, afgekort tot U.E., uwee en uiteindelijk u. Daarmee evolueerde gij van V naar T. Waarschijnlijk is het huidige jij hier een verbastering van. In Vlaanderen en Brabant is het oude gij overigens nog springlevend.

… wordt iedereen nu een jij?

Nu we steeds makkelijker tutoyeren, lijkt het erop dat we u na 200 jaar weer overboord gooien. Je bent al snel ouderwets of overdreven formeel bezig als je iemand met u aanspreekt. Veruit de meeste kinderen spreken hun ouders aan met je en jij (behalve in streng-christelijke gezinnen) en ook voor bedrijven wordt het steeds gewoner om hun klanten te tutoyeren. Het lijkt erop dat we langzaam teruggaan naar hoe het was: één overzichtelijke aanspreekvorm. Gewoon iedereen tutoyeren, net als in het Engels. Maar schijn bedriegt, volgens neerlandica Hanny Vermaas.

Nieuwe meetlatten

Volgens Vermaas is er opnieuw een verschuiving aan de gang. We gebruiken twee nieuwe meetlatten, die bovendien niet meer gelijkwaardig zijn: T krijgt voorrang op V. Om met V te beginnen: u was altijd een beleefdheidsvorm, gebruikt om een machtsverschil uit te drukken. Tegenwoordig gebruik je u vooral in zakelijke situaties, als een manier om afstand te benadrukken. In de politiek zie je dat duidelijk terug. Kamerleden spreken elkaar in de wandelgangen aan met je en jij. Eenmaal in de Kamer, een duidelijk zakelijke setting, schakelen ze over op u. Alleen bij heftige emoties wil er nog weleens een jij tussendoor glippen, zoals in november tussen Öztürk en Bontes. Dat klinkt dan meteen heel direct.

Solidariteit

Ook de ‘regels’ om te mogen tutoyeren zijn veranderd. Vroeger kon je dat doen als je genoeg overeenkomsten met elkaar had. Nu hanteren we een nieuwe meetlat: die van solidariteit. Vertrouwelijkheid en solidariteit lijken op elkaar, met één essentieel verschil: je kunt solidariteit voelen zónder duidelijke overeenkomsten met de ander te hebben. Het maakt niet meer uit of je allebei van katten houdt of niet. Dat verklaart waarom we elkaar sneller tutoyeren, ook in zakelijke situaties. Je kunt je immers ook solidair voelen met een opdrachtgever of een klant. En T gaat ook nog voor V.

Veilige tussenvorm

Ondertussen zijn je en jij uit elkaar aan het groeien: nóg een verschuiving waar we middenin zitten. Je is een neutrale tussenvorm aan het worden, te vergelijken met men. Van den Toorn (1977) noemt het een ‘onvolledig, tastend tutoyeren’. Het is een veilige aanspreekvorm waar je je geen buil aan kunt vallen. Daarmee wordt aanspreken met jij ook steeds directer. Misschien wordt je wel het nieuwe u, wie zal het zeggen?

Bronnen